Geschiedenis

Beknopte geschiedenis van de orde der predikbroeders in België

1. Dominicus en de stichting van een orde

Toen hij aan het begin van de dertiende eeuw op reis was door het Zuiden van Frankrijk, trof de jonge Spaanse kanunnik Dominicus van Caleruega er een grote geestelijke nood aan. Zogenaamde ‘albigenzen’, aanhangers van een dualistische leer die de traditionele verhouding tussen kerk en samenleving op losse schroeven zette, stonden kwantitatief dan wel niet sterk, maar konden op heel wat sympathie rekenen onder de bevolking. Deze invloed hadden ze te danken aan hun reputatie van evangelische radicaliteit: het leven dat ze leidden was overeenkomstig de woorden die ze verkondigden.

Verschillende jaren verkondigde Dominicus het katholieke geloof in de streek en ging het geloofsgesprek aan met de albigenzen, waarbij hij hun model imiteerde van rondtrekkende, arme verkondiging. Dit alles zonder veel succes. Het geweld nam toe en in 1209 werd een kruistocht tegen de albigenzen afgekondigd. Dominicus besloot terug te keren naar zijn vaderland, waar hij zijn canoniale leven hernam.

Zijn missionaire passie moet hem echter te sterk zijn geworden, want vanaf 1211 dook hij opnieuw op in het Zuiden van Frankrijk. Rond hem verzamelde zich een groepje mannen, aangetrokken door zijn charisma en apostolische levensmodel. In de zomer van 1215 erkende de bisschop van Toulouse hen als predikanten in zijn bisdom. In december 1216 keurde de paus met de bulle Religiosam vitam hun gemeenschap in Toulouse goed, een stap die meestal als officieel startpunt van de orde wordt gezien. Op dit vlak is echter veelzeggender een bulle uit januari 1217, waarin de paus het verkondigingsmandaat van Dominicus en zijn broeders bekrachtigde en hen predicatores noemde.

Op het feest van Maria-Tenhemelopneming 1217 besloot Dominicus de vijftien à twintig broeders van dat moment op te delen in drie groepen en uit te zenden: enkelen moesten naar Spanje trekken, anderen naar Parijs om er een gemeenschap te vormen en aan de universiteit te studeren, en een laatste groep, onder wie Dominicus zelf, bleef in Toulouse. In 1218 was Dominicus in Rome, waar hij het klooster en de basiliek van Santa Sabina op de Aventijn verkreeg voor zijn orde.

De paus belastte hem met het samenbrengen en hervormen van een aantal vrouwenkloosters in de binnenstad. Het monasterium van Sint-Sixtus dat voor deze zusters werd gebouwd, werd het tweede dominicanessenklooster in de geschiedenis. Immers, reeds in 1207 had Dominicus een eerste vrouwelijke gemeenschap gesticht te Prouilhe in Zuid-Frankrijk. Men kan dus stellen dat in de orde der predikbroeders de vrouwen oudere institutionele antecedenten hebben dan de mannen!

Vanuit Rome stuurde Dominicus enkele broeders naar Bologna om er – naar het Parijse model – gemeenschap te vormen en aan de universiteit te studeren. Begin 1218 beval de paus de “broeders van de orde der Predikers” (ordo (fratrum) praedicatorum ofwel ‘O.P.’) aan bij het hele katholieke episcopaat. Niets stond nu nog een snelle, internationale verspreiding in de weg. Op de eerste twee generale kapittels, in 1220 en 1221 in Bologna, werd een blauwdruk opgesteld van de constituties, de interne wetgeving van de orde. Aangezien Dominicus zelf aanwezig was op beide kapittels kunnen we stellen dat deze constituties iets van zijn oorspronkelijke intuïtie bevatten. Zo worden deze gekenmerkt door een – tot dan ongezien ruim – dispensatiebeginsel, wat betekent dat een broeder kan worden vrijgesteld van zijn taken indien de verkondiging, of de studie ter voorbereiding van de verkondiging, dit vereist. In 1221 overleed Dominicus te Bologna, waar men nog steeds zijn graf kan bezoeken. In 1234 werd hij heiligverklaard.

2. Snelle verspreiding en hervorming

Onder impuls van Dominicus’ opvolgers Jordanus van Saksen en Raymundus van Peñafort breidde de orde zich gestaag uit. Tegen het midden van de jaren 1220 waren er al stichtingen in Scandinavië, Polen, op de Balkan en tot in de zuidelijkste uithoeken van het Europese continent. De nieuwe stedelijke en universitaire centra vormden een milieu waarin de dominicanen perfect gedijden. Naast de stichtingen te Parijs (1217) en Bologna (1218) dient in dit verband nog die te Oxford (1221) worden vermeld. Onze contreien werden vermoedelijk voor het eerst aangedaan door broeders van de Teutoonse (Duitse) ordesprovincie. Het eerste klooster op het grondgebied van het huidige België werd opgericht te Gent in 1228. Enkele jaren nadien volgde een stichting te Brugge. Leuven en Luik mochten in 1233 de eerste dominicanen onder hun inwoners verwelkomen, Antwerpen in 1243 en Ieper in 1276.

De begeleiding van vrouwelijke religieuzen was voor de predikbroeders – in navolging van hun stichter – een belangrijk aandachtspunt. Ongeveer vanaf de stichting van het Groot Begijnhof in Gent in 1233 namen de broeders aldaar de begijnen onder hun spirituele hoede. Ook de dominicanessen lieten zich niet onbetuigd. Zo werd in de jaren 1260 een klooster gesticht te Hertoginnendal bij Brussel. Dominicaan Thomas van Cantimpré stond in contact met enkele mystieke vrouwen, onder wie Lutgardis van Tongeren, over wie hij een heiligenleven schreef.

Na de middeleeuwen brak in de vijftiende eeuw een nieuwe bloeiperiode aan voor de dominicanen, en dit dankzij de observantiebeweging. Naast een strikte clausuur, streng vasten, stilte, eenvormigheid inzake kledij en een grotere waardigheid bij het vieren van de liturgie werd in deze beweging ook de nadruk gelegd op het specifieke charisma van de orde: armoede, studie en verkondiging. De bestaande organisatiestructuren werden langzaam overgenomen door de zogenaamde ‘Hollandse Congregatie’ der observante kloosters, die in 1515 plaatsmaakte voor de provincie Germania Inferior. Ruw gesteld besloeg deze provincie het huidige Nederland en België.

3. Reformatie en Revolutie

De protestantse hervorming betekende een zware slag voor de dominicanen. Op termijn gingen zowat alle kloosters in Nederland verloren. Op clandestiene wijze trachtten de dominicanen de zielzorg onder het katholiek gebleven deel van de bevolking verder te zetten. In 1572 werd dominicaan Jan van Keulen samen met achttien andere katholieke geestelijken door de geuzen vermoord: de zogenaamde ‘Martelaren van Gorcum’. Het Zuiden werd zwaar getroffen door de calvinistische beeldenstorm. Zo werd het klooster van Ieper volledig vernield en ook dat van Gent zwaar beschadigd. De katholieke hervorming zorgde echter voor een heropleving. Hiervan legt de Antwerpse Sint-Pauluskerk in al haar barokke pracht tot op vandaag getuigenis af.

Aan het einde van de achttiende eeuw hing het voortbestaan van de dominicanenorde in Europa aan een zijden draadje. Onder de hervormingen van keizer Jozef II werden de kloosters van contemplatieve zusters (onder wie de dominicanessen) afgeschaft. Met de Franse Revolutie werden ook de kloosters van de mannelijke tak opgeheven. Het concordaat van 1801 herstelde de relaties tussen kerk en staat, maar sprak niet over de religieuzen. Zij moesten zich invoegen in de diocesane structuren of in de wereld te blijven. Zo waren twee dominicanen, Franciscus Ackerman en Pius Braeckman, werkzaam als priesters in het Gentse Groot Begijnhof, evenwel zonder hun habijt te kunnen dragen.
4. Een nieuwe bloeiperiode in de negentiende en de twintigste eeuw

De Belgische onafhankelijkheid, met de afkondiging van een nieuwe grondwet, maakte het herstichten van religieuze instituten mogelijk. Met steun van broeders uit de diaspora in Nederland hernamen Ackerman en Braeckman het reguliere dominicanenleven. Na een moeilijke beginfase ging het de broeders voor de wind. In 1860 werd een zelfstandige Belgische ordesprovincie opgericht, met als patrones Sinte Rosa van Lima.

Net na de Tweede Wereldoorlog kende de Belgische dominicanenprovincie haar hoogtepunt. Ze telde een kleine vierhonderd leden en had kloosters in Gent, Tienen, Leuven, La Sarte (bij Hoei), Leuven, Brussel, Luik, Antwerpen-Stad, Antwerpen-Linkeroever, Genk, Libramont, en huizen in Knokke, Schilde en Loverval. Sedert 1911 beschikte ze over een eigen missiegebied in het Noordoosten van (Belgisch) Congo, in Uélé, het huidige bisdom Isiro-Niangara. Vanaf het einde van de jaren zestig waren ook meerdere broeders actief in Peru. Onder meer in Dinant, Zelem en Herne bevonden zich monasteria van slotzusters. In Lint en Sart-Risbart woonden eveneens slotzusters, van de congregatie van Bethanië. Verder werden in de negentiende en twintigste eeuw verschillende congregaties van apostolische zusters-dominicanessen gesticht: Engelendale, Erwetegem, Lubbeek, Fichermont, Salzinnes…

De dominicanen maakten hun reputatie van studieuze verkondigers zeker waar. Reeds in de negentiende eeuw was besloten van het Leuvense klooster opnieuw een internationaal studiehuis te maken. Er doceerden grote namen als Antoninus Dummermuth, Benedictus Merkelbach, Raymond Martin, Marcolinus Tuyaerts, John Henry Walgrave, Dominicus De Petter en Edward Schillebeeckx. Vanuit het klooster van Leuven zagen periodieken als Kultuurleven, Tijdschrift voor Filosofie en Tijdschrift voor Geestelijk Leven het licht. In het studieklooster van La Sarte was Servais Pinckaers werkzaam, voor hij befaamd werd als moraaltheoloog aan de universiteit van Fribourg in Zwitserland. Een andere broeder van La Sarte, Dominique Pire, kreeg in 1958 de Nobelprijs voor de Vrede om zijn werk voor de opvang van migranten na de Tweede Wereldoorlog. Pire was eveneens de stichter van Vredeseilanden.

Op het vlak van predicatie hadden vooral de kloosters van Gent, Antwerpen (Ploegstraat en Linkeroever) en Luik een sterke reputatie. Vele paters preekten missies in parochies, voor de jeugd en voor andere specifieke doelgroepen. Ook het rozenkransapostolaat kende een grote vlucht in de vooroorlogse jaren, met als jaarlijkse orgelpunt de bedevaart naar Oostakker die zo’n tienduizend gelovigen aantrok. In de Ploegstraat was het apologetische centrum Geloofsverdediging annex uitgeverij gevestigd, in Luik bestond een Franstalige tegenhanger. Op Linkeroever werd het parochieblad uitgegeven, het latere Kerk en Leven. Een pater die wereldberoemd werd in Vlaanderen door zijn predicatie was Jules Laurentius Callewaert. Zijn politieke (Vlaams-nationalistische) overtuigingen brachten hem echter verschillende keren in conflict met de kerkelijke en burgerlijke overheid. Het Vlaams-nationalisme werd overigens een splijtzwam in de Belgische dominicanenprovincie. In 1958 scheidden de wegen van Vlamingen en Franstaligen: de Vlamingen gingen verder onder het patronaat van Sinte Rosa, de Franstaligen onder dat van Sint Thomas van Aquino. Pater Callewaert was ook de motor achter het studentenapostolaat van de Vlaamse dominicanen. Dit onder meer via het Sint-Thomasgenootschap, waarvan afdelingen bestonden in Leuven, Gent en Brussel, en een tijdschrift als Onze Jeugd. Na de Tweede Wereldoorlog kende dit apostolaat een doorstart, met onder meer het tijdschrift Jong Kultuurleven/Jeugd en Cultuur en het Gentse Katholiek Universitair Centrum (KUC).

De dominicanen waren ook actief op sociaal gebied. De paters Ceslas Rutten en Jules Perquy gelden als de organisatoren van de christelijke arbeidersbeweging in België. Aan het begin van de jaren twintig stichtten ze te Leuven een Sociale School. Aan de universiteit werd een leerstoel ‘Sociale leer van de kerk’ opgericht, die bekleed werd door een aantal dominicanen: Rutten, Constant Van Gestel en Bertrand J. De Clercq. Vanuit het klooster in de Antwerpse Ploegstraat was men de ‘kleine man’ in de volkswijken nabij door het Apostolaat van de Grootstad. In Boom was een groepje dominicanen een tijdlang werkzaam als priester-arbeiders.

  1. Einde of nieuw begin?

De crisis die zich in de jaren zestig en zeventig aftekende in de kerk en in het religieuze leven ging ook aan de dominicanen niet voorbij. Vele broeders traden uit, nieuwe kandidaten meldden zich nauwelijks. Apostolische initiatieven werden uit handen gegeven of stopgezet. De eigen opleiding werd opgeschort. Kloosters sloten een voor een de deuren. Enkele broeders werden professor aan de universiteit: oriëntalist Ceslas Van den Eynde, de reeds genoemde B.J. De Clercq en J.H. Walgrave, socioloog Johan Leman en Islam-kenner Emilio Platti. Onder impuls van De Clercq werd gezocht naar nieuwe wegen van verkondiging, zoals via het internet (‘Preek van de week’). Bij de opheffing van het klooster van La Sarte in 1973 besloten de Waalse dominicanen een experimentele leefgemeenschap van broeders, zusters en leken op te richten in Froidmont (Rixensart).

In de jaren 2000 werd besloten de gemeenschap te Froidmont op te heffen om opnieuw meer ‘klassieke’ kloosters te stichten in Louvain-la-Neuve en Luik. In Brussel was vanaf het jaar 2001 reeds een nieuwe internationale gemeenschap van start gegaan in de gebouwen van het oude klooster. In 2015 besloten Vlamingen en Franstaligen te fusioneren, een proces dat in 2019 tot voltooiing kwam. In september 2020 werd een nieuwe gemeenschap opgericht te Antwerpen, aan de oude dominicanenkerk Sint-Paulus. Op heden zijn ook voor het klooster van Leuven plannen voor een doorstart. In 2021 vroeg de Nederlandse provincie te mogen aansluiten bij de Belgische, wat stapsgewijs zal gebeuren in 2022. Vijfhonderd jaar na de oprichting van de provincie Germania Inferior is er dus opnieuw een territoriale eenheid tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden. Vele broeders uit het buitenland zijn aangetrokken door de apostolisch-missionaire context in België, en werken en wonen graag onder ons. Daarnaast zien we in de voorbije jaren een voorzichtige, hernieuwde interesse voor het dominicaanse leven. Een middeleeuwse orde maakt zich op voor een nieuwe tijd.

Anton-M. Milh OP

 

 

 

 

 

Blijf op de hoogte !

Blijf op de hoogte en meld u aan voor onze nieuwbrief !

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen