Pinksteren

Auteur: Bernard De Cock
Datum: 23-05-2021
Liturgische tijd: Paastijd
Liturgische jaar: B
Jaar: 2020-2021


In zijn Lied van de vijftigste dag plaatst Huub Oosterhuis Pinksteren midden in de mislukking. Misschien kan je het lied eerst beluisteren voor je verder leest: https://www.youtube.com/watch?v=jvrRDLRvznk. De tekst begint met de ontstellende aanblik van de gefolterde en vermoorde Jezus. De kapotgeslagen goedheid, de geliquideerde keuze voor gerechtigheid en liefde. Idealen geplunderd. Als je het meest dierbare in je leven ziet vallen, denk je, totaal ontredderd: dit is het einde van alles. Niets heeft nog zin.

Zo kleurt de dood van een geliefde het leven zwart en uitzichtloos. Of een relatie die stuk loopt maakt alles donker. De tijd staat stil. En toch, zo merk je tot je ontsteltenis, de tijd staat niet stil, hij duurt voort. Sterker, het leven gaat verder, anderen blijven in leven. Nóg sterker, het land staat in bloei, men blijft verder feesten alsof er niets aan de hand is, de rozen over-bloeien elke vorm van dood. Wie van ons kent niet dat bevreemdende gevoel: je stelt vast dat het schone leven voor anderen gewoon doorgaat, terwijl jij zelf, platgeslagen, blijft neerliggen en niet rechtovereind komt – en dat kan lang duren: járen! Volledige lockdown in verdriet. In elk geval laat het gezegde ‘niets bij God is onmogelijk’ jou onthutst achter, want op zo’n moment van ontredderde sprakeloosheid ben jij zeker nog niet toe aan een dergelijke geloofsuitspraak.

Opdat jij zou kunnen geloven dat bij God alles mogelijk is, dat opstanding kan, ook uit de diepste kloof, moet er iets aan jou gebeuren dat van elders komt, zoals bij elke vorm van nieuw leven. Er is iets eigen en iets vreemd. Iets van mij en iets van een ander. Plantgoed heeft vruchtbare grond nodig. Een eicel heeft een zaadcel nodig, en omgekeerd. Het gaat hier om bevruchting door de Geest. Die gaat niet over jou als eenling, maar het gebeurt met ons, jij en ik en wij, nog beduusd samenzittend onder één dak, rondom één tafel. Er moet ons iets overkomen van elders, oneindigheid die in mijn menselijk project binnenvalt, zegt Levinas: windvlagen, stoten vurige adem, vlammentongen. God zelf als de hartstocht, de tegenkracht, het protest, de bemoediging, de volharding. De Geest. Ik merk plots dat ik nogal gemakkelijk het woordje ‘God’ in de mond neem. Ik heb een correctie nodig.

Ik krijg die van de Nederlandse theoloog Okke Jager. Hij heeft ooit op een humoristische manier betoogd dat God al lang genoeg ‘bestaan’ heeft. Het wordt tijd, zegt hij, dat het opperwezen zelf het onzekere voor het zekere neemt, dat God zelf wegloopt uit onze godsbeelden, uit onze gestolde gedachten, uit onze religieuze identiteiten. Dat Zij zich ook eens laat gaan. Dat Zij weer vlees en bloed wordt in ons. Maar als ons het vaste kader wordt afgepakt, en we moeten het zien te rooien met datgene wat beweegt en leeft in onszelf, dan worden wij mensen daar heel onzeker en zenuwachtig van. Nu is een kerk vol zenuwachtige en onzekere mensen – in corona-tijden voorlopig nog ondenkbaar – geen gezicht, en het wordt nog erger als ook het soort opperwezen niet past in een bepaald plechtig liturgisch theater. Het is geen gezicht als God de kerk in en uit stormt, als zij te dicht op de huid van de kerkbezoekers zit, hen doet blozen, hen met elkaar in gesprek brengt. Zowaar een heel lijfelijke aangelegenheid. En – o leuke paradox – precies in dat lijfelijke komt de Geest op de proppen. Eén en al lichamelijke beweging, dynamiek binnen een menselijke gemeenschap, toewending naar elkaar – als de wierook optrekt, zien we elkaar staan. De vaste orde kraakt. Zou God de heilige Geest daarachter steken?

Hier kom ik bij de prachtige gregoriaanse pinkstersequens ‘Veni Sancte Spiritus’. Daaruit het zinnetje: Flecte quod est rigidum. Iemand vertaalde dat ooit als: ‘Buig wat is verhard, versteend, verbeend’. In die vertaling hoor je de botten kraken. De starheid van mijn zekerheden moet verbogen worden. Ik moet soepel worden. Maar dat kan pijn doen. De angst voor die pijn doet me vluchten in het gesettelde gemak van mijn rigide opvattingen. Liever de pijn van de geestelijke sclerose dan de gevreesde pijn van het beweeglijk worden. Misschien wil de Geest – God als versoepelende kracht – helemaal niet dat ik haar benader als goddelijk. Misschien moet ik van een harde stelligheid genezen en helemaal leeg worden. Niet meer lijden aan eigen invulling van God. Dat is wellicht de leegte in zijn diepste betekenis. Namelijk een leegte waardoor ik verbonden word met de kwetsbaren en de slachtoffers naast en rondom mij en ook met al degenen die net als ik slachtoffer zijn van een hechting aan zekerheden. Zo leeg dat God zichzelf kan worden in mij, vleesgeworden liefde voor mijn naaste, geest als lijfelijke gave. Dit is mijn lichaam voor u. Concreter kan het niet. God, kom in mij. Amen.

 
Preek van de week

Inschrijving

Indien u iedere week een voorstel van preektekst van een dominicaan of een lekendominicaan wilt ontvangen, vragen wij u om uw inschrijving te bevestigen door te klikken op de link. Wij danken u bij voorbaat voor uw interesse in ons initiatief.

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen

Onze preken

  • 1
  • 2

Neem contact met ons op

Heeft u vragen, opmerkingen of suggesties ? Wij doen ons best om u verder te helpen.

Merci d'indiquer à nouveau votre nom
Merci d'indiquer votre email Votre email n'est pas valide
Merci d'écrire un message