"Neem en eet mij" : Over de zelfgave

Auteur: Mark Butaye
Datum: 06-06-2021
Liturgische tijd: Door het jaar
Liturgische jaar: B
Jaar: 2020-2021

                                      
Kort na de val van de Berlijnse muur kreeg ik de kans de grens met Oost Duitsland over te steken. Je draait eventjes je hoofd en je ziet dag en nacht.  Je staat pal in een grauwe omgeving. Alles spreekt van een verpletterende eentonigheid. Je vermoedt dat de mens daar nauwkeurig gezegd wordt binnen welke limieten aan uren, gedachten, houdingen, handelen hij moet leven. Misschien had niemand tekort. Misschien was er geen armoede. Misschien was alles voorzien. Ik weet het niet. Ik had – subjectief - de indruk dat niet enkel de vrijheid ontbrak, maar het leven zelf.  Toen ik op een bank wat uitrustte zei een vrouw naast me : ‘Nu de grens open is, zou ik graag mijn familie bezoeken’.

Alle politieke systemen kunnen teruggevoerd worden naar een opvatting over ‘vriendschap’ – als ik me zo mag uitdrukken. Dat wil zeggen : over samenhorigheid : hoe verhouden we ons tot elkaar. Misschien faalt het communisme in de praktijk omdat het een opgelegde vriendschap is geworden, een aan elkaar verplichte “genegenheid”, een samenleven onder een ijzeren hand, waarbij de gedoogde menselijke relaties niet meer de werkelijke gevoelens en verhoudingen kunnen weerspiegelen.

Vriendschap kan niet een verhouding zijn die gereguleerd wordt door wetten van gelijkmatige uitwisseling. Ook het kapitalisme, die andere vorm van samenhorigheid en verdeeldheid, die gulzig opslokt en inhaleert, kan niet verklaren waarom iemand wil sterven voor een ander, waarom iemand zich gratuit opoffert, zich wil verliezen in een ander.

Waar vinden we een redelijk argument dat duidelijk maakt “ er is geen groter liefde, dan wie zijn leven geeft voor een ander” ?

 

De werkelijkheid van de zelfgave is de ondertoon van de lange geschiedenis die begint bij de God van Abraham en zijn zaad, de God van Mozes, van de profeten, van Jezus’ doordeweekse leven en van het evangelie van de laatste maaltijd in de lezing vandaag. Iemand komt er toe om de dagelijkse handeling van brood breken en de beker drinken, op te tillen, te incarneren, tot een levensmotto en het te verdichten in het gebaar van het paasmaal waarin hij zich vereenzelvigt met het geslachte offerlam.


Eerlijk gezegd kunnen we het nog een béétje begrijpen wanneer iemand alles, maar dan ook alles in het werk zou stellen om – bijvoorbeeld – een boek te schrijven, een biografie, om een onevenaarbaar kunstwerk te scheppen, om kankers te genezen, om voor een gezond klimaat te ijveren, om menselijke verhoudingen duurzaam en aangenaam te maken. De menselijke passie heeft veel troeven en is dikwijls in staat haar grenzen te verleggen. Ouders die zich inzetten, verplegend personeel, anonieme heiligen.. Maar dat iemand zichzelf helemaal niet spaart, zich doorgeeft, zich totaal weggeeft, weerstand blijft bieden aan beschuldigingen en bedreigingen, dat snijdt mij de adem af.

 “Neem mij, eet mij, drink mij”.  Wanneer wij deze woorden overwegen kunnen wij niet anders dan aan te nemen dat er voor de christen slechts één sacrament is: Jezus de Christus. Woord dat vlees is geworden. Gave van zichzelf.

Het vieren van de eucharistische daad – als ik het zo mag noemen – heeft de verwijzing nodig naar het dagelijkse leven. Zonder die band, zonder existentiële beleving, riskeren wij enkel theologie te vieren. Wij zullen de diepte en de waarheid missen van het laatste avondmaal.

Waarschijnlijk koesteren wij allemaal in ons geheugen gebaren, gebeurtenissen, ontmoetingen en woorden die ons enigszins hebben voorbereid op het aanvoelen en begrijpen van de eucharistie. Enkele gebaren en houdingen van mijn moeder blijven voor mij een sleutel. En ik herinner mij een documentaire over een Indische arts, bijna een guru, die op een dag een lijk op straat ziet liggen. Gechoqueerd tot in zijn ingewanden kan hij het niet over zijn hart krijgen het anonieme lijk niet te wassen en mooi te maken alvorens het te laten cremeren. Die ene wasbeurt verandert zijn leven. Hij wordt de man-die-lijken-wast. Hij sticht een dispensarium, dan verschillende, opvanghuizen, klinieken, rekruteert vele vrijwilligers, professionelen, het wordt een organisatie met financies, personeel, relaties. En als hoofd van die organisatie daalt hij elke dag af in de straten om minstens zelf één lijk te wassen. Elke dag wil hij een overledene reëel aanraken en verzorgen, elke dag wil hij zijn bekering leven, zich buigen over de moeilijke daad van de zelfgave.  Hij stelt zich niet tevreden met enkel de herinnering aan dit eerste moment.

   

In de eucharistie lezen, interpreteren en vieren wij niet enkel die dagelijkse werkelijkheid van brood breken, de toewijding zichzelf te geven.  In de eucharistie grijpen wij ook vooruit op een beloofde, nog niet gerealiseerde toekomst. Er is méér dan gedenken, danken en herinneren. In het breken van het brood zien wij dat het leven doorgaat naar God toe, in Wie “brood is voor allen”.

Voor veel mensen is het lastig te aanvaarden dat enkel in God de werkelijkheid vol zal worden. Dat er enkel in God “brood zal zijn voor allen”.  “Bisschop Romero kon enkele dagen voor hij vermoord werd zeggen : ‘Mij kunnen ze doden, maar niet de stem van gerechtigheid’.  De geldigheid van deze uitspraak is slechts mogelijk dank zij Jezus de Opgestane. Zonder de verrezen Christus zou zijn uitspraak betekenen : “ Er zullen altijd mensen zijn die omwille van de liefde voor gerechtigheid zullen spreken en ijveren en woekeren met hun leven”.” [1] – En dat is al buitengewoon troostend !

De verrezen Christus maakt het ons echter mogelijk te zeggen dat die gerechtigheid er werkelijk komt voor iedereen. In het sacrament kunnen we anticiperen, vooruitgrijpen op wat nog niet is, op wat “aan ons en allen zal worden”.  Paulus zegt het ongeveer zo : ( ik citeer vrij met eigen woorden ) :  “Wat in de ogen van de mensen het einde van een droom betekent – namelijk Jezus’ kruisdood – wordt in het sacrament een blijvende grond van onze hoop : geen enkele dood kan nog onze wanhoop worden, onze teleurstelling betekenen, onze vijand zijn”.

Veel gelovigen leven een grote weerstand tegen de eucharistie als sacrament. Omdat ze het onrechtvaardig vinden dat de volheid van leven ons pas later, na dit leven, zou geschonken worden, en niet nu, zichtbaar.  Veel mensen lijden aan de onrechtvaardigheid van dit gebrek. “Life is unfair – Het leven is onrechtvaardig ” zegt m’n kameraad in de Filippijnen. Voor veel mensen komt de goddelijke rechtvaardigheid te laat. Wij begrijpen dus dat ze de moed verliezen, in geloof afhaken, niet kunnen vieren.  Een moeder zei me : ‘Ik kan nu niet naar de mis gaan want ik ligt hopeloos in gevecht met God’. Ze had (heeft ?) serieuze problemen met twee van haar dochters.
Dit voor veel mensen moeilijke punt plaatst ons, priesters, voor een dubbele uitdaging, vind ik. Enerzijds reëel brood delen, de beker drinken, ethisch leven, ons prijsgeven aan anderen.
En anderzijds leven en vieren wat wij nog niet zien, namelijk de belofte : “ Ik zal alles zijn in iedereen – en zij zullen in Mij zijn”.

En nu we dit overwogen hebben, laten we dan nu politiek zijn, een politiek van vriendschap met een zuiver hart, volgens de maat en volgens de overmaat van onze capaciteit ons leven te delen.

[1] E. Schillebeeckx, Om het behoud van het evangelie, Evangelie verhalen II, H. Nelissen, Baarn, 1988, blz. 94. Deze homilie is gedeeltelijk geïnspireerd op S. homilie voor Sacramentsdag, blz. 91-95.

 
Preek van de week

Inschrijving

Indien u iedere week een voorstel van preektekst van een dominicaan of een lekendominicaan wilt ontvangen, vragen wij u om uw inschrijving te bevestigen door te klikken op de link. Wij danken u bij voorbaat voor uw interesse in ons initiatief.

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen

Onze preken

  • 1
  • 2

Neem contact met ons op

Heeft u vragen, opmerkingen of suggesties ? Wij doen ons best om u verder te helpen.

Merci d'indiquer à nouveau votre nom
Merci d'indiquer votre email Votre email n'est pas valide
Merci d'écrire un message