17de zondag door het jaar C

Auteur: Bernard de Cock
Datum: 24-07-2022
Liturgische tijd: Door het jaar
Liturgische jaar: C
Jaar: 2021-2022
Lezingen: Gen.18, 20-32 | Kol.2, 12-14 |Lc.11, 1-13

 

Ik wil vandaag blijven stilstaan bij de eerste lezing, het bekende verhaal van Abraham die God tot vervelens toe blijft smeken om de goede mensen uit Sodom en Gomorra niet samen met de slechteriken te straffen. Misschien toch eerst even opnieuw het verhaal situeren.

Abraham heeft drie vreemdelingen te gast gehad, en nu doet hij hen uitgeleide. Hij gaat een stuk met hen mee. Beneden zien zij Sodom liggen. Sodom, samen met Gomorra, is – voor degenen die dit verhaal beluisterden – het beeld van het onnoemelijke kwaad dat mensen elkaar aandoen. God is daar razend over, en omdat Hij geen onrecht verdraagt en de rechtvaardigheid zelve is, openbaart hij aan Abraham zijn plan om de beide steden totaal te vernietigen,  ze met wortel en tak uit te roeien. En dan laat Abraham zich horen. Wat nu als er in die stad zich onder de boosdoeners vijftig onschuldigen bevinden? Gij die de Rechter zijt over de hele wereld kunt toch niet zo onrechtvaardig zijn dat Ge de schuldigen en de onschuldigen over een kam scheert? Ik weet dat Ge woedend zijt, God. Dat is volkomen terecht. Maar gaat uw woede nu niet te ver? Zijt ge nu niet een tikkeltje té rechtvaardig? Misschien kan een strijd van het goede tegen het kwade zó fel zijn dat hij ook wel eens een nieuw kwaad tot gevolg zou kunnen hebben?

En kijk, God is het daarmee eens. Als er vijftig onschuldigen in de stad Sodom gevonden worden, zal Hij de stad vergeving schenken. Maar U bent toch geen muggenzifter hé, God? Als er nu ietsje minder onschuldigen zijn? Als het er vijf minder zouden zijn, zou U dan de stad vernietigen? Gods antwoord is duidelijk: ook als er vijfenveertig onschuldigen gevonden worden, zal Ik de stad sparen. Zo blijft Abraham verder pingelen met veertig, dertig, twintig onschuldigen en telkens blijft het antwoord van God hetzelfde, eentonige “o.k., Ik zal de stad sparen”. Als hij God zo ver gekregen heeft dat tien ook genoeg is, zet Abraham een punt achter de onderhandelingen. Het is belangrijk te onderstrepen dat de verteller van het verhaal ons duidelijk wil laten aanvoelen dat Abraham niet de minste pretentie heeft, maar eerder bang is. Zijn woorden zijn niet vleierig, maar nederig: “Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben”, en: “Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring”, en ook nog: “ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen”. Inderdaad, een dergelijke manier van spreken is respectvol en toch niet kruiperig. Het is de taal van iemand die met opgeheven hoofd en met een morele ruggengraat een gesprek met God aandurft. Ook al is het met een bang hartje.

Wat leert ons een dergelijk verhaal? Iets over God en iets over Abraham. Vooreerst de manier waarop naar God gekeken wordt. Hoe wordt God hier voorgesteld? In elk geval als een paradoxale (mannelijke) persoon. God is de totaal andere, hoog boven ons verheven, en tegelijk is Hij zo op ons betrokken, dat Hij woedend wordt als mensen elkaar doen lijden. Hij komt zelfs naar beneden om te checken of Hij het wel goed gezien heeft, die gruwel, of Hij zich soms niet vergist kan hebben. Hij is ook paradoxaal in de zin van iemand die tegelijk én rechtvaardig én barmhartig is. Dat is voor ons, mensen, nauwelijks te vatten. Hij is de verheven Rechter die het goede beloont en het slechte straft. Anderzijds is hij degene die met zijn hand over het hart strijkt, en die zich laat vermurwen door de smeekbeden van Abraham. Op het eerste gezicht neemt Abraham het initiatief in het gesprek, maar in feite is de barmhartige God de uitdager en de initiatiefnemer. Hij hoopt als het ware dat Abraham zal blijven aandringen bij Hem, opdat Hij hem telkens het antwoord kan geven: “Ik zal de stad sparen”.

Het verhaal leert ons ook iets over Abraham. Over zijn houding heb ik al iets gezegd. Maar er is meer. Ik ben enorm getroffen door twee elementen. Vooreerst is de beweegreden van Abrahams bekommernis om de onschuldigen niet ingegeven door een familieverwantschap of door een toebehoren tot dezelfde stam. De inwoners van Sodom zijn voor Abraham vreemden. Hij komt op voor de onschuldigen onder hen, gewoon omdat ze onschuldig zijn. Voor niks anders. Het tweede element dat mij treft is de vastberaden en de vrijmoedige manier waarmee Abraham God aanspreekt. Dat ligt volledig in de lijn van de joodse religieuze mentaliteit. God heeft liever een stevig gesprek met de mens dan dat Hij altijd gelijk moet hebben. God aanvaardt de oppositie van de mens tegen Hem. Vanuit zijn diep vertrouwen in dié God durft Abraham zelfs telkens te vragen om de hele stad te sparen. Dat is ongehoord. Dus hij vraagt aan God dat Hij omwille van de onschuldigen ook de schuldigen zou sparen, en… God gaat daarin mee. Die twee hadden kunnen zeggen: de schuldigen straffen en de onschuldigen redden. Dat is pas echte rechtvaardigheid. Daarmee is de zaak van de baan. Basta. Maar neen, door de ‘plaatsvervangende’ goedheid van een handvol goede mensen wordt bekering uit het kwaad van kwade mensen mogelijk. Dat is werkelijk revolutionair. We moeten ons wellicht oefenen in goedheid en met die goedheid aanwezig zijn op de plekken van onrecht en gruwel. Amen.

Preek van de week

Inschrijving

Indien u iedere week een voorstel van preektekst van een dominicaan of een lekendominicaan wilt ontvangen, vragen wij u om uw inschrijving te bevestigen door te klikken op de link. Wij danken u bij voorbaat voor uw interesse in ons initiatief.

Schakel javascript in om dit formulier in te dienen

Onze preken

  • 1
  • 2